You are here

Wat zijn de voorwaarden om erkend te worden als beroepsjournalist?

De wet van 30 december 1963 legt vijf voorwaarden op waaraan een aanvrager moet voldoen om erkend te kunnen worden als beroepsjournalist.

1) Ten minste 21 jaar zijn.

Er is geen maximumleeftijd bepaald.

2) In België, geheel noch gedeeltelijk, vervallen verklaard zijn van de rechten opgesomd in de artikelen 31 en 123 sexies van het Strafwetboek en, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 2, in het buitenland geen veroordeling hebben ondergaan die, indien zij in België ware uitgesproken, geheel of gedeeltelijk het verlies van deze rechten tot gevolg zou hebben.

Het vervallen zijn van de burgerlijke en politieke rechten is een grond om niet erkend te worden als beroepsjournalist of om de erkenning te verliezen. Straffen in het buitenland opgelopen, moeten op dezelfde manier een rol spelen als de straffen die in België zijn opgelopen.

3) In zijn hoofdberoep en tegen bezoldiging deelnemen aan de redactie van dag- of periodieke bladen, radio- of televisienieuwsuitzendingen, filmjournaals, persagentschappen of een ander medium voor algemene berichtgeving.

De erkenningscommissie beschouwt als hoofdberoep, het beroep dat de helft of meer van de inkomsten van de kandidaat oplevert.

De wet bepaalt bovendien uitdrukkelijk dat er inkomsten moeten zijn uit de journalistieke activiteiten. De kandidaten die hun aanvraag tot erkenning indienen, zijn vaak beginnende journalisten. De erkenningscommissie hanteert als minimuminkomen het interprofessioneel afgesproken gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen. Dat is een brutobedrag. Voor de berekening van het gemiddelde per maand worden de inkomsten op jaarbasis, eventueel vakantiegeld en 13de maand inbegrepen, gedeeld door 12.

Voor de toepassing van dit artikel:

a) Moeten onder bladen, radio- of televisienieuwsuitzendingen, filmjournaals of persagentschappen voor algemene berichtgeving verstaan worden zij die, eensdeels,  nieuws verstrekken dat betrekking heeft op het actualiteitsgebeuren in het algemeen en, anderdeels, die zich richten tot de lezers, de luisteraars en de toeschouwers in het algemeen.

b) Moeten onder redactie verstaan worden de activiteiten uitgeoefend o.m. als directeur, redacteur, tekenaar, persfotograaf, filmreporter of correspondent voor België.

De erkenningscommissie erkent één directeur per titel voor dagbladen, magazines, persbureaus en nieuwssites. Voor radio- en televisiezenders wordt dat één directeur per net of kanaal. Voor deze regel komen de media in aanmerking die ten minste vijf beroepsjournalisten voltijds in vaste dienst hebben in de referentieperiode van twee jaar.

Commerciële, technische en administratieve werkzaamheden alsook correctie-, telex-, reclame- en zetterijwerkzaamheden worden geacht buiten de redactie te staan, behalve wanneer zij ressorteren onder de persoonlijke bevoegdheid van de directeur van het blad, de nieuwsuitzending, het filmjournaal of het persagentschap.

4. Die werkzaamheid ten minste twee jaar lang als gewoon beroep uitgeoefend en ze niet sedert meer dan twee jaar gestaakt hebben.

Wie zijn journalistieke activiteit gedurende meer dan twee jaar onderbreekt, kan zijn erkenning verliezen. Ziekte en werkloosheid worden niet beschouwd als een onderbreking. Tijdskrediet, verlof zonder wedde en soortgelijke formules (zoals brugpensioen) worden evenmin beschouwd als onderbreking tenzij in hoofdberoep andere activiteiten worden uitgeoefend. In het geval het om onverenigbare activiteiten gaat, kan de commissie de erkenning onmiddellijk intrekken. Wie een ander beroep gaat uitoefenen, voldoet niet langer aan alle voorwaarden om erkend te worden als beroepsjournalist en moet dus zijn erkenning inleveren.

5. Geen enkele vorm van handel drijven en met name geen op reclame gerichte werkzaamheid uitoefenen, behalve als directeur van een blad, een nieuwsuitzending, een filmjournaal of een persagentschap.

Beroepsjournalisten kunnen naast hun hoofdberoep nevenactiviteiten uitoefenen in bijberoep voor zover het geen onverenigbare activiteiten zijn die de journalistieke onafhankelijkheid in het gedrang kunnen brengen. De wetgever bepaalt uitdrukkelijk dat handel drijven en op reclame gerichte werkzaamheden onverenigbaar zijn. De erkenningscommissie beschouwt daarom als onverenigbare activiteiten: reclame maken, propaganda voeren, public relations e.d. voor natuurlijke of rechtspersonen. De uitoefening van deze activiteiten is een grond om een aanvraag tot erkenning af te wijzen en kan leiden tot de onmiddellijke intrekking van de erkenning.

De erkenningscommissie hanteert als algemene regel dat de kandidaten het nodige, overtuigende bewijs moeten leveren dat zij voldoen aan de vijf voorwaarden die de wetgever heeft opgelegd.

Elke aanvraag tot erkenning wordt individueel onderzocht en beoordeeld.

Sinds het begin van de jaren zestig is het medialandschap grondig veranderd, onder meer door de opkomst van nieuwe media en nieuwe technieken. De erkenningscommissie heeft een aantal leidraden uitgewerkt om met die veranderingen rekening te houden.

Specifieke vragen: